Vertel de verhalen nu het nog kan

“Het aantal mensen dat hun verhaal van de Watersnoodramp kan vertellen wordt steeds kleiner, daarom is het zo belangrijk dát de verhalen verteld worden en dat we die verhalen ook opschrijven. We mogen niet vergeten hoe gevaarlijk de natuur kan zijn. Het is niet de eerste keer en het zal ook zeker niet de laatste keer geweest zijn dat het water ons aan valt,” zegt Jaap van Nieuwenhuizen, ambassadeur van de Watersnoodramp.

Door Sam Fish

Jaap en Piet waren allebei bijna zestien toen Goeree-Overflakkee overstroomde. Donderdag 1 februari is dat alweer 65 jaar geleden, maar het leeft nog als de dag van gisteren. Beide mannen hebben hun eigen verhaal om te vertellen en doen dat ook graag. Ze vertellen hun eigen verhalen op scholen, schrijven hun verhalen op en helpen mee om andere verhalen te verzamelen.

Jaap van Nieuwenhuizen
“Ik was bij een vriend in Dinteloord toen de Ramp plaats vond,” begint Jaap zijn verhaal. “Het water kwam daar tot in de polders en het leek allemaal wel mee te vallen. Er stond wat water en dat was het. De ouders van die vriend gingen zondag 1 februari naar de kerk, maar kwamen al snel terug naar huis omdat de dienst niet doorging door het water. Toen merkten we wel dat het iets heftiger was dan we dachten, maar we dachten nog steeds niet aan een ramp. We konden vanaf de dijk in Dinteloord het dak zien van onze boerderij, dus in onze optiek was alles goed.”

LEES OOK: Alle Watersnoodramp herdenkingsdiensten op een rijtje

Op dinsdag, drie dagen na de Ramp, kwam de vader van Jaap met de veerpont van de Galathese Haven naar het Dintelsas. “Hij kwam vertellen dat het eiland onder water stond. Bij onze boerderij stond zo’n tachtig centimeter water, maar op andere plekken in het dorp kwam het water tot ongeveer 2.20 meter,” gaat hij zijn verhaal verder. “Mijn vader liet ook weten dat van ons gezin iedereen oké was.”

Jaap woonde met zijn ouders op boerderij Willemshof aan de Galathese Haven. Eén broer zat ten tijden van de Ramp in Dirksland en zijn zus in Groningen. De andere broer woonde ongeveer een kilometer verderop, hij had ruim twee meter water in en om het huis. “De boerderij is zonder echte schaden blijven staan, gelukkig. We zijn wel even in een dijkwoning in Langstraat gaan wonen voor ruim twee weken, want we konden thuis niet leven met al dat water in de boerderij en op het land. Na die twee weken konden we weer naar huis om alles op te knappen,” vertelt hij. “We zijn een akkerbouw familie, dus we hadden geen vee. Alleen paarden en een hoop land. We konden een paar maanden niets verbouwen, pas in mei konden we beginnen met het zaaien van gerst. Het heeft even geduurd, maar we hebben langzaam maar zeker alles weer opgebouwd en ons leven weer opgepakt. Maar we zijn het zeker niet vergeten. Wij hebben geluk gehad die nacht.”

Piet Vreeswijk
Ook Piet Vreeswijk moest nog zestien worden toen het eiland onder water kwam te staan. “Ik woonde in een dijkboerderij op de Battenoordsedijk, aan de noordkant. Je had vroeger drie dijken; de buitendijk, de eerste binnendijk en de tweede binnendijk. Wij woonden op de eerste binnendijk,” legt hij uit. Piet en zijn familie waren wel thuis die bewuste nacht en hij kan het zich nog goed herinneren. “Het was zaterdagavond en een paar weken eerder had ik mijn been verwond. Ik kon niet lopen en lag hele dagen in de woonkamer op een noodbed. Mijn beste vriend was langsgekomen die avond, we hadden gezellig zitten dammen. Buiten stormde het en de dakpannen rammelden, maar dat gebeurde wel vaker, we keken er niet van op. Zo rond tien uur namen we afscheid, mijn vriend woonde een paar honderd meter verderop. We zeiden gedag en we gingen naar bed. Mijn ouders, twee broers en mijn zus sliepen boven, ik bleef beneden op het noodbed liggen.”

Het was een kort nachtje voor het gezin, want rond een uur of vier ’s nachts werd er hard op de luiken gebonsd door de buurman. “Aangezien ik beneden lag werd ik wakker. Ik hoorde hem hard roepen dat het gevaarlijk hoog water was. Mijn vader hoorde het ook en we kleedden ons allemaal aan, behalve mijn jongste broertje, hem lieten we slapen, hij was pas 2,5 jaar oud.” Vertelt Piet. “Een hoop mensen die in de buurt woonden kwamen naar ons huis toe, omdat ze er vanuit gingen dat wij wel veilig zaten, aangezien we bovenop de dijk woonden. We waren in totaal met 19 mensen die nacht. Mijn vader kwam met het idee om al het eten uit de kelder te halen omdat die helemaal vol kon lopen met water en de kachel werd goed gestookt om ons allemaal warm te houden. Er kwamen zelfs brandweermannen bij ons langs om hun sokken te verwisselen en ergens op de avond strandde er een vrachtwagen midden voor ons huis.”

LEES OOK: Herdenkingspaneel onthuld in Den Bommel

“Mijn vader ging op verzoek van de buurvrouw kijken waar haar man bleef, maar toen hij buiten kwam zag hij hoe de buitendijk doorbrak. Hij kwam meteen naar binnen en we zijn met zijn allen op zolder gaan zitten. Mijn vader kon nog op het nippertje mijn kleine broertje redden voordat een groot deel van het huis werd weggespoeld,” gaat Piet zijn verhaal verder. “Door de stevige wind en de golven werd het huis instabiel en zijn we het dak op gegaan en later op de vrachtwagen voor het huis, maar toen het water te hoog werd voor de vrachtwagen zijn we toch weer terug het dak op gegaan. Die vrachtwagen heeft ons leven gered, want het stuk huis waar de wagen voorstond was het enige stuk dat niet werd weggespoeld.”

Diezelfde dag werd het gezin nog gered en zijn ze naar het huis van de havenmeester van Battenoord gebracht. “We hebben een hoop huisjes gezien die dagen, maar uiteindelijk kwamen we terecht in Kapelle aan den IJssel,” vertelt hij.

Belangrijke verhalen
“Mijn vriend heeft het uiteindelijk niet gered. We zeiden gedag en daarna heb ik hem nooit meer gezien. Hij is één van de redenen dat ik het belangrijk vind dat we over de Ramp blijven praten. We deden alles samen en elk jaar sta ik weer stil bij de herinneringen die we deelden,” vertelt Piet. “Mijn tweede reden is dat ik heel dankbaar ben dat ik het heb overleefd. In Battenoord en Nieuwe-Tonge zijn die nacht 90 mensen omgekomen, dat zijn er veel te veel.”

“Ik vind dat we altijd stil moeten blijven staan bij het gevaar van het water,” zegt Jaap. “We zijn enorm goed geholpen door onze omgeving, door de rest van Nederland en zelfs door het buitenland. Daar ben ik nog steeds heel dankbaar voor. Mensen moeten weten wat de natuur kan aanrichten. En ze moeten weten hoe veel mensen we die nacht zijn verloren. In Ooltgensplaat waren dat er twee, maar in Oude-Tonge was het tien procent van de bevolking.”

Jaap en Piet werken nauw samen met het Watersnoodmuseum en gaan langs op scholen om hun verhalen te vertellen. Ook zijn er een hoop boeken verschenen over de Ramp en de persoonlijke verhalen van mensen die de Watersnoodramp hebben overleefd.

Reacties