Bijen, hommels en vlinders hebben te weinig natuur om zich
heen om te overleven. Dat blijkt uit onderzoek.
Dat onderzoek is onlangs gepubliceerd in Science. Het vond
plaats onder leiding van een onderzoeksteam van Wageningen University & Research.
Uit het onderzoek blijkt dat deze insecten veel meer ruimte nodig hebben om te
herstellen dan nu in EU-richtlijnen is vastgelegd. Ook blijkt de kwaliteit van
die ruimte belangrijk om mee te nemen.
Insecten leveren een bijdrage aan ecosysteemdiensten vanwege
de bestuiving van allerlei gewassen. Maar de populaties gaan al jarenlang
achteruit. Uit nieuw onderzoek blijkt het beter beheren van de overgebleven
natuurlijke landschapselementen in het agrarisch landschap, zoals hagen en
bloemrijke bermen, onvoldoende effectief.
Om de achteruitgang van bestuivers tegen te gaan moet er in
Nederland vooral meer natuurlijk leefgebied bij komen. De
EU-biodiversiteitsstrategie heeft daartoe als doel om agrarische landschappen
voor 2030 voor 10 procent te vullen met natuurlijke landschapselementen. Dit
blijkt aan de magere kant te zijn. Want onderzoek onder leiding van Gabriella
Bishop, gebaseerd op 59 studies wereldwijd, laat zien dat bijen, hommels en
vlinders tussen de 16 en 37 procent leefgebied in een landschap nodig hebben
voor effectieve bescherming.
Oppervlakte en kwaliteit
Het onderzoek bekeek in welke mate de oppervlakte en de
kwaliteit van natuurlijke landschapselementen de populaties van wilde bijen,
hommels, zweefvliegen en vlinders beïnvloeden. Hiervoor werden data van maar
liefst 1250 landschappen uit 19 verschillende landen geanalyseerd.
Voor alle soortgroepen gold: hoe meer leefgebied, hoe meer
bestuivers er in het landschap aanwezig zijn. Landschapselementen met meer
bloeiende planten bleken daarnaast ook meer bestuivers van alle groepen te
herbergen dan bloemenarme elementen. “Maar”, zegt Gabriella Bishop, “het is
beter om eerst een grotere oppervlakte aan landschapselementen te creëren.
Kleine elementen, zelfs met veel bloemen, hebben veel minder effect”.
Verschillen
In het onderzoek werden vier groepen bestuivers betrokken.
Voor solitaire bijen en hommels was het aandeel benodigd leefgebied in een
landschap, met 16 en 18 procent vergelijkbaar. Voor dagvlinders was dat met 37
procent veel hoger. Dit was vergelijkbaar met de 38 procent die voor tropische
bijen werd gevonden. Maar die uitkomst betrof slechts twee landen en moet dus
alleen als eerste indicatie worden beschouwd. Alleen voor zweefvliegen kwam het
aandeel met 6 procent lager uit en binnen de 10 procent-grens van de Europese
doelstelling.
Deze verschillen zijn grotendeels te verklaren door de
lokale dichtheden van de soortgroepen en de mate waarin ze op (half)natuurlijke
delen van het landschap aangewezen zijn. Zweefvliegen zijn niet alleen
bloembezoekers – en daarbij ook heel mobiel – maar als larve ook
plaagbestrijders die in het agrarisch gebied goed kunnen gedijen. Ze komen dus
vaak in hogere dichtheden voor, terwijl bij vlinders de dichtheden veel lager
zijn en de afhankelijkheid van halfnatuurlijke vegetatie groter is. Voor vlinders
is het werken aan een robuust natuurnetwerk daarom extra belangrijk.
De halvering van de Europese
graslandvlinderpopulatie in de afgelopen dertig jaar onderstreept dat.
Van de vlinders zijn alleen de dagvlinders geanalyseerd.
Nachtvlinders vormen een nog onderbelichte groep bestuivers. Maar zij blijken
belangrijker te zijn dan tot voor kort werd gedacht. Helaas waren er nog te
weinig gegevens over deze soortgroep om ze mee te kunnen nemen in het
onderzoek. Gelukkig wordt er in het kader van de Natuurherstelverordening hard
aan getrokken om de populatieontwikkeling van alle groepen bestuivers beter in
beeld te krijgen!
Kwaliteit en langjarig
Niet alleen de kwantiteit, ook de kwaliteit van het
leefgebied is belangrijk, onderstreept het onderzoek. Tot nog toe werd gedacht
dat het inzaaien van bloemen op een strook landbouwgrond eenzelfde effect had
als de aanwezigheid van een houtwal of wegberm. Daarom zet het huidige
Nederlandse natuurbeleid flink in op tijdelijke maatregelen op een klein deel
van het boerenland, zoals kruidenrijk grasland of bloemenstroken.
Eerder onderzoek heeft laten zien dat dit inderdaad
tijdelijk leidt tot meer insecten en bestuivers. Maar de nieuwe studie laat
zien dat er veel meer leefgebied nodig is. En dat de kwaliteit van de nieuwe
landschapselementen langdurig gegarandeerd moet zijn. Medeauteur Thijs Fijen:
“Om dit mogelijk te maken zouden boeren langjarig vergoed moeten kunnen worden
voor aanleg en onderhoud van hagen en natuurvriendelijke oevers en randen langs
akkers en graslanden, én voor inkomstenderving. We praten dan over periodes van
20 tot 30 jaar, anders is het te onzeker voor boeren en levert het te weinig op
voor de natuur.”
Biodiversiteit staat voor meer
Er komt steeds meer bewijs dat biodiversiteit, zoals een
ruimtelijke variatie in ecosystemen, niet alleen goed is voor de natuur, maar
ook voor de mens. Daarbij gaat het niet alleen over schoon water en schone
lucht. Onder andere ook om de voedselvoorziening, die deels afhankelijk is van
bestuiving door allerlei insecten.
In de EU is daarom in de Natuurherstelverordening
afgesproken de achteruitgang van biodiversiteit, en de afname van bestuivers in
het bijzonder, te stoppen en om te buigen naar herstel. De EU heeft zich daarom
tot doel gesteld een bepaald percentage natuurlijke landschapselementen in het
agrarisch gebied te realiseren of te behouden. Lidstaten zijn momenteel bezig
met het uitwerken van plannen hoe ze dit concreet willen gaan vormgeven. Op dit
moment wordt de graslandindicator voor dagvlinders in dit kader al benut binnen
de EU. De komende jaren zal deze verder worden ingezet en zal ook de monitoring
voor nachtvlinders, bijen en zweefvliegen Europees worden opgetuigd. Hopelijk
zal deze, door de inspanningen voor landschapsherstel, de kentering van
achteruitgang naar herstel snel laten zien!