
In het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk hangt een jasje. Een keurig net jasje met een ruitjesvoering. En zes glimmende knopen. Het is het zwarte jasje van Jan Maliepaard uit Oude-Tonge. Zeven was hij toen de Ramp kwam. Jan verdronk, samen met zijn zusje Katie van 4. Het pijnlijke was dat het huis waarin hij woonde vrijwel ongeschonden bleef. Maar moeder zag die nacht de storm tekeergaan en vertrouwde het niet. Het huis kraakte. Deze storm was toch wel heviger dan ooit. Ze besloot de kinderen bij de overburen op zolder in bed te leggen. Kort daarna sloeg dat gedeelte van het huis weg. Met haar jongste in de armen zag ze hoe haar twee kinderen werden meegesleurd door het water en verdronken. Na haar overlijden, ruim 50 jaar later, werd dit jasje tussen haar spullen gevonden. Het jasje van Jan. Ze had het al die tijd bewaard. Maar ze had er nooit over gesproken.
Het jasje van Jan. Ik stel me dan voor dat moeder trots was op dat jasje. Het mannetje zag er met zijn brede glimlach en pretoogjes vast tiptop uit als hij het droeg. Ik stel me ook voor hoe haar moederhart huilde elke keer als ze het jasje zag. De immense pijn van het verlies van Jan en Katie.
Vandaag zijn we hier, gehuld in onze warme jassen. Op de begraafplaats, waar zo veel pijn en verdriet al door de jaren heen zichtbaar is geworden. Het is goed dat we hier met elkaar zijn. We staan hier met elkaar stil bij wat er gebeurde in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 en de periode daarna. 71 jaar geleden, maar nog steeds actueel. Dat is te merken aan de emoties die deze dag nog bij zoveel mensen losmaakt. Tot op de dag van vandaag. We staan stil bij de slachtoffers, de mensen die achterbleven en bij de enorme gevolgen van de watersnood.
1 februari 1953 maakte onuitwisbare indruk. Hier in Oude-Tonge, maar ook in de rest van Nederland. De pijn wordt hier misschien wel extra hevig gevoeld omdat het verlies zo groot was. Oude-Tonge heeft littekens. Zichtbaar en onzichtbaar. Littekens die nooit verdwijnen. De ramp is een onuitwisbaar onderdeel van Oude-Tonge.
Er zijn vandaag de dag nog steeds ooggetuigen, mensen die het meemaakten en ons kunnen vertellen over de wanhoop van destijds. Als ze erover kunnen praten. Want er zijn ook nog steeds mensen die niet kunnen praten over het leed wat hen is overkomen. Net als de moeder van Jan en Katie. Die geen woorden kunnen geven aan het onvoorstelbare wat er was gebeurd. Over hoe het verwoestende water kwam en nam. Hoe ze dachten veilig te zijn, maar eigenlijk nergens veilig waren. Zelfs niet in hun huis. En hoe het na de ramp verder ging. En hoe alles weer werd opgebouwd. Het verwoeste land werd opgebouwd. Stukje bij beetje ging het leven door. De glans was er misschien vanaf. Maar er was geen tijd en ruimte om stil te staan bij alles wat verloren ging. Rouw en verdriet is er, zowel met als zonder woorden.
Ik denk ook dat we kunnen zeggen dat de ramp onuitwisbare indruk heeft gemaakt op de inwoners die de ramp niet meemaakten. Ook zij, ook wij, kunnen het verhaal vertellen van de Ramp. Eigenlijk moeten we dat verhaal ook blijven vertellen. De verhalen uit de geschiedenis hebben een boodschap voor nu. Het drukt ons met de neus op de feiten. Ze vertellen ons wat natuurgeweld met ons kan doen.
We staan hier omdat het goed is om te herdenken, maar ook omdat het nodig is én blijft dat we realiseren dat we als mensen kwetsbaar zijn. En dat de strijd tegen het water altijd nodig blijft. Ook nu, zo maakten de afgelopen maanden met extreme regenval en hoge waterstanden wel duidelijk. Het water is tegelijkertijd onze vriend én onze vijand. We moeten, met de ramp in onze gedachten, altijd alert zijn en investeren in waterveiligheid. Omdat we zo’n ramp als 1953 nooit meer willen meemaken. Omdat je thuis een veilige plek moet zijn. Nu en in de toekomst.
Ik wil Wim Harteveld, Tim Jochems en andere vrijwilligers hartelijk bedanken voor het organiseren van deze herdenking. Een groot compliment aan de kinderen die zojuist een gedicht voordroegen. We herdenken met elkaar. Voor elkaar.
Loading articles...
Loading